B E R T
DE ZORGZAME PERCUSSIONIST
Zijn verhaal
Mijn alleenstaande moeder gaf me alles wat ik nodig had. Tonnen liefde en het volste vertrouwen. Ik deed klassiek ballet, luisterde naar K3 en zorgde non-stop voor een knuffelhondje. Tegelijk moedigde ze mijn fascinatie voor vreemde klanken aan. Ik bouwde set-ups van potten en pannen en kon ontroerd raken door het geluid van pakweg een verroeste plaat die ik op straat had gevonden.
Dat er in ons huisje geen plek was voor een echt drumstel, vond ik niet erg. Ik gebruikte liever mijn handen om muziek te maken. Soms hing ik rond in een louche stamcafé waar - magisch - Afrikaanse muziek uit de boxen galmde. Ook de mensen met hun verhalen vond ik wonderlijk: authentiek en ongefilterd, soms zoekend naar grenzen die ze tegelijkertijd weigerden. Op mijn twaalfde wist ik al: ik wil artiest worden of in de zorg werken.
Muziek verbindt. Daarom zocht en vormde ik bandjes met professionele muzikanten. Op school, waar ik percussie kreeg, kwam muziek als vanzelf, maar ik struikelde over de algemene vakken. Dat gaf mijn zelfvertrouwen een knauw. Tot ik koos voor jeugd- en gehandicaptenzorg. Daar viel alles op zijn plek. In de opleiding Orthopedagogie behaalde ik terug mooie punten.
Gaandeweg vond ik een manier om mijn twee passies te verweven: met muziektherapie. Zo ging ik aan de slag met mensen met dementie, angststoornissen en psychosen. Heerlijk vond ik dat. Tot de muziek in zijn puurste vorm zich weer aandiende.
Ik zag het Vlaamse trio Āo in De Zevende Dag op de VRT en dacht: daar wil ik bij. Ik stuurde een mail en kreeg een beleefd bedankje terug. Twee weken later namen ze zelf contact op: ze zochten een percussionist. Het klikte. We maken Portugese muziek vanuit de onderbuik. Vooral onze tweede plaat is als een bom ingeslagen. Sinds vorig jaar ben ik voltijds muzikant. We touren volop, spelen voor uitverkochte zalen en staan wekenlang, torenhoog in de charts.
Mijn mama die ooit de kost verdiende als zangeres op cruiseschepen, heeft op een dag letterlijk haar stem gebroken. Haar diepste wens was dat ik wél de muziek zou kunnen maken die ik zelf wilde. Dus ja, haar fierheid valt niet te beschrijven.
Bert en ik
“Ik sta niet graag op de foto, dat weet je”, had Herman gezegd, en daarmee was de kous af. Toen we trouwden, was er geen trouwfotograaf. Dat betreurde ik stilletjes, maar ik respecteerde het .
Enkele dagen later kreeg ik een mail van Marianne, een van Hermans studenten aan de kunstacademie. Ik had haar, mét camera,, in een flits gezien op het gemeenteplein na ons JA-woord.
“Proficiat”, schreef ze, met een linkje erbij. Het waren zeker honderd prachtige foto’s van Herman en van mij. Lachend, kussend, groetend. Marianne, beroepshalve trouwfotograaf, had spontaan een serie foto’s gemaakt. Wat een geschenk. Ik kijk er nog vaak naar.
Marianne is een van Hermans studenten waar hij steeds warmhartig over sprak aan de keukentafel. “Ze was een zangeres, maar haar stem is letterlijk gebroken door het vele zingen”, vertelde hij. “En ze heeft een zoon, Bert, een bijzondere jongen, heel sociaal bewogen, die haar liefde voor muziek heeft geërfd.”
We kwamen Bert hier en daar tegen, in het echt of op sociale media. Deze lange, bijna slungelachtige jongen had mettertijd aan percussie een nieuwe definitie gegeven en zette muziekprojecten op poten om mensen die in deze maatschappij vaak vergeten worden, terug eigenwaarde te geven.
Toen ik op zoek was naar Gen Z’ers voor mijn reeks, moest ik opeens weer aan Bert denken. Al googelend ontdekte ik dat hij in Āo speelt, een band die intussen behoort tot ‘het spannendste dat de Belgische muziekscene vandaag te bieden heeft.’
“Hij doet graag mee!”, schreef zijn mama toen ik voorzichtig bij haar polste.
En zo geschiedde dat deze wonderlijke jongen aan mijn tafel zijn verhaal deelde.
En wat voor een verhaal.

